<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Industrie</title>
		<copyright>Copyright (c) 2010, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.ce.nl/index.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=95" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Convenant Benchmarking Energie-efficiency: resultaten en vrijstellingen energiebelasting]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/convenant_benchmarking_energie-efficiency%3A_resultaten_en_vrijstellingen_energiebelasting/1069</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/convenant_benchmarking_energie-efficiency%3A_resultaten_en_vrijstellingen_energiebelasting/1069</guid>
			<description><![CDATA[De energie-intensieve industrie in Nederland heeft de afgelopen jaren te weinig energie bespaard, terwijl ze wel korting op de energiebelasting hebben ontvangen. Onderzoek van CE Delft naar het effect van het Convenant Benchmarking Energie-efficiency toont aan dat het tempo van energiebesparing bij de energie-intensieve industrie op een half procent per jaar lag tussen 1999 en 2007. Bij sectoren als raffinaderijen, basismetaal en chemie ligt de gerealiseerde energiebesparing lager dan wat op grond van de autonome ontwikkeling (zonder convenant) te verwachten valt. 

Bij aanvang van het convenant was de efficiency gemiddeld 3,7% beter dan de Wereldtop, naar verwachting in 2012 0,7% slechter. De Wereldtop is in het convenant gedefinieerd als de 10% meest energie-effici&amp;euml;nte bedrijven ter wereld. Het onderzoek is verricht in opdracht van Stichting Natuur en Milieu.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 06 Jul 2010 13:40:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Benchmark Energiebelasting glastuinbouw]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</guid>
			<description><![CDATA[De glastuinbouw zou door zijn energie-intensieve en kleinschalige karakter relatief veel Energiebelasting betalen. Het zogeheten tuinbouwtarief (een lager energiebelastingtarief voor gas1 speciaal voor de tuinbouw) is destijds ingesteld als correctie op dit effect. De vraag of dit tuinbouwtarief opnieuw moet en kan worden verlengd is nu actueel vanwege de aanvraag voor goedkeuring van tuinbouwtarief voor 2011 en 2012 bij de Europese Commissie in Brussel. Hiervoor is inzicht in de energie-intensiteit en de lastendruk van de Energie-belasting voor de glastuinbouwsector in vergelijking tot andere energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie gewenst.
In opdracht van het Productschap Tuinbouw en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) hebben CE Delft en het LEI de energielasten en -belasting van glastuinbouw vergeleken met industri&amp;euml;le sectoren.Het doel van dit onderzoek is tweeledig:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Inzicht geven in de energielasten en de energiebelastingdruk van de glastuinbouw in vergelijking tot industri&amp;euml;le sectoren.
    Het identificeren van kansrijke terugsluismogelijkheden voor het eventueel afschaffen van het verlaagd tarief voor de glastuinbouw.

Conclusies
Vergelijking met de industrie laat zien dat de glastuinbouw tot &amp;eacute;&amp;eacute;n van de meest energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie behoort. De energiebelastingdruk voor de glastuinbouw per Euro omzet&amp;nbsp;- zowel met het tuinbouwtarief als wanneer het algemene tarief wordt toegepast&amp;nbsp;- is een stuk hoger dan in de industrie. Door het kleinschalige karakter van de glastuinbouw drukt de Energiebelasting op aardgas (en daarmee het beperkte gebruik in de goedkopere schijven) relatief zwaar op de bedrijfsexploitatie. Hierdoor heeft een hogere Energiebelasting in potentie een groter effect op de concurrentiepositie van de glastuinbouw in vergelijking tot de industrie. Dit bevestigt de initi&amp;euml;le reden dat het tuinbouwtarief is ingevoerd nog steeds van toepassing is.

Ter compensatie van toegenomen lasten indien het tuinbouwtarief zou moeten verdwijnen, zijn er verschillende terugsluismechanismen mogelijk. De uitvoering ervan zal niet eenvoudig zijn. Bij diverse opties kunnen kanttekeningen gezet worden ten aanzien van de mogelijkheid om gestegen lasten voor de glastuinbouw daadwerkelijk te compenseren (terugsluis via loon-belasting en vennootschapsbelasting). Serieuze uitwerkingen verdienen de terugsluisopties gebaseerd op subsidies voor energiebesparing en een CO2-benchmark. Nader onderzoek is hier noodzakelijk.]]></description>
			<pubDate>Thu, 27 May 2010 09:31:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Does the energy intensive industry obtain windfall profits through the EU ETS?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</guid>
			<description><![CDATA[Emission trading schemes belong to the most efficient and effective policy options to achieve a given emission reduction target. In an emission trading system, each source of pollution gets a certain amount allowances that give the &amp;lsquo;right&amp;rsquo; to emit one unit of pollution. By reducing the amount of allowances issued, the system can achieve emission reductions among its participants. By allowing the allowances to be traded on an organized exchange, the market assures that these reductions are achieved at the least possible cost for participants.

In theory, the efficiency of the system is achieved regardless of the initial allocation method. Allocation methods most often considered are auctioning and free allocation. Because free allocation impacts less on the costs for companies, it is believed to be a better system in the context of unilateral climate policies. Through free allocation, companies face less cost disadvantages compared to producers that do not fall under a climate policy regime. Free allocation would therefore have less distortive impacts on trade and economic growth - allowing EU producers to compete at lower price levels than would be possible under an auctioning regime.

However, this belief in the benefits of free allocation crucially hinges on the assumption that companies do not pass through the opportunity costs of their freely obtained allowances in the product prices. If they would pass through the market value of the freely obtained allowances, product prices would rise and the impacts on trade and competitiveness of a system of free allocation would be similar to that of auctioning. The only effect of free allocation would then be that companies gain windfall profits through the emission trading system and income from citizens will be transferred to business. This would be a particularly unfavourable outcome in the European context, where free allocation is presented as a solution towards carbon leakage. 

Economic theory tells us that companies will pass through the costs of the freely obtained allowances in most circumstances &amp;ndash; even if this will bring them a competitive disadvantage to producers not due to climate policies. According to economic theory, companies are profit-maximizing institutions that prefer profitability on invested capital over maintaining market shares. If passing through the opportunity costs in product prices can enhance their profitability, they will do so even if this would bring them some harm in terms of loss of market shares, as long as the additional profits do outweigh the additional costs. How much the firms will be able to pass the costs on depends on market structure and on elasticity of demand and supply. Theoretical analysis shows that typically, assuming linear demand and supply curves, the firms will be able to pass from 50% of increase in marginal costs due to the EU ETS (under the monopoly) to a 100% (under perfect competition). How much the increase in marginal costs reflects the carbon price depends on elasticity of supply and demand. Assuming non-linear demand and supply curves implies different rules and a possibility to pass on more than a 100% of additional costs due to the EU ETS. 

We have tested the hypothesis that energy intensive companies did not pass through the costs of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the European emission trading system the EU ETS. The EU emissions trading scheme (EU ETS) was launched in 2005 to cap CO2 emissions from large industrial facilities and electricity producers. Covering over 10,000 installations, it is the largest international emission trading system in the world. During Phase 1 (from 2005-2007) and Phase 2 (from 2008 till 2012), allowances were issued for free to the energy intensive industries in all member countries. The question is whether the value of these free allowances have been forwarded in the price of EU products, signalling windfall profits, or that EU producers did not do that. 

This is investigated using econometric methods stemming from the concept of co-integration and market integration. The idea is that several dependencies exist between EU and non-EU markets through the prices of inputs in production processes and the prices of outputs on the various markets. If, for instance, prices of iron ores increase in Asia, they are likely to start to increase in Europe as well. This will put an upward pressure on the price of steel in both Europe and Asia. If Asian steel prices increase due to local shortages, this will also put an upward pressure on European steel prices as a larger portion of European steel will be shipped to Asia. In this system of market dependencies, it can then be investigated if the price of an emission allowance at the European ETS market is a significant variable for the variation in prices between EU and non-EU products over time. 

A standardized estimation procedure was developed (co-developed and reviewed by three independent econometricians) in order to come up with robust outcomes (and preventing data mining and spurious outcomes). This estimation procedure was subsequently applied to a few selected products from the iron and steel, refineries and (petro)-chemical industries. For these products, prices were compared between the EU and the US and it was investigated to what extent European prices were influenced by price developments on the EU ETS markets. 

The outcomes of the econometric analyses show that for most products a significant influence of the EUA prices on the European product prices can be found. For products from the refineries sectors (gasoil, diesel and gasoline) a quite direct influence can be found. Within two weeks are higher prices on the EU ETS markets translated into higher prices on the German markets for diesel and gasoline. For gasoil traded in Rotterdam an immediate price increasing effect from CO2 prices can be found. For the products of the iron and steel sectors (hot and cold rolled coil), a significant influence of CO2 prices can be found after one month, while for polyethylene, polystyrene and polyvinylchloride a delayed influence from 3-8 weeks can be found. 

The cost-pass-through rates from the econometric estimations show that for products of the refineries sector full cost-pass-through rates are likely. The econometric results even suggest that more than 100% of the costs were passed through, but this cannot be stated with certainty. For both steel varieties, the cost-pass-through was close to 100%. The same value was found for polyvinylchloride and polyethylene. For polystyrene the cost-pass-through rate was significant but much lower at 33%. 

These results cannot be directly interpreted in amount of windfall profits, as we have no information on the individual emissions stemming from producing these products. However, if the full cost-pass-through rates would prevail for all products in the refineries and iron and steel sectors, it can be calculated that the total amount of windfall profits would equal &amp;euro; 14 billion between 2005 and 2008. This implies a substantial transfer of money from consumers to the energy intensive industry. 

This research hence results in the conclusion that there is ample evidence that the energy intensive industry has passed through the prices of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the EU ETS. This has generated windfall profits in these sectors. The cost price increase is identical as it would have been under an auctioning regime but without the possibility that governments would have to compensate consumers by recycling auction revenues. Politicians seem to have underestimated the potential of windfall profits in exposed sectors and have believed overall the claims of industry that additional costs cannot be passed through. The higher prices on the EU markets may have stimulated imports from non-EU producers but this was not quantitatively assessed in this study. The results, however, do point at the suggestion that free allocation falls short of its intentional goals: to prevent carbon leakage. Under free allocation both windfall profits and carbon leakage may be stimulated.]]></description>
			<pubDate>Mon, 17 May 2010 11:47:02 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Biodebat Zeeland: biomassakansen voor versterking Zeeuwse economie en vermindering milieubelasting?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/biodebat_zeeland%3A_biomassakansen_voor_versterking_zeeuwse_economie_en_vermindering_milieubelasting/1023</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/biodebat_zeeland%3A_biomassakansen_voor_versterking_zeeuwse_economie_en_vermindering_milieubelasting/1023</guid>
			<description><![CDATA[In drie biodebatten hebben vertegenwoordigers van de Zeeuwse industrie, agrarische sector, ZMF, onderzoeksinstellingen en overheden van gedachten gewisseld over kansen voor duurzame inzet van biomassa in Zeeland. Gericht op versterking van de Zeeuwse economie &amp;egrave;n vermindering van milieubelasting. 

Het 'eerste biodebat' werd gevoerd op 22 januari 2009 in Goes. 
Basis was een achtergrondnotitie van CE Delft met kansen voor duurzame inzet van biomassa in de Zeeuwse economie. Uit het debat kwam naar voren dat er op korte termijn er in Zeeland vooral kansen liggen om reststromen van biomassa, CO2 en warmte uit industrie en landbouw (hoogwaardiger) te gaan hergebruiken. 
Op langere termijn zijn er kansen om via innovatieve processen biomassa in te zetten in de petrochemische industrie. Bijvoorbeeld door toepassing van HTU-technologie waarmee biomassa wordt omgezet in grondstof voor olieraffinaderijen. Economische kansen liggen er ook voor de Zeeuwse havens en de agrarische sector.
Het lijkt niet haalbaar om de hele Zeeuwse energievoorziening te dekken met biomassa: dat vraagt om een areaal vijftien maal groter dan geheel Zeeland. Bij toelevering van dergelijke massa&amp;rsquo;s is duurzaamheid een cruciaal item.
Milieu en versterking van de economie lijken redelijk gelijk op te gaan: opties die op lange termijn de economie versterken, hebben doorgaans ook een gunstige milieu-impact.
Het complete verslag is hier te vinden. Na het eerste debat volgden twee debatten gericht op industrie en landbouw. 

Vervolgdebatten biomassa: industrie en landbouw
Na het eerste biodebat volgden debatten gericht op industrie en landbouw. Afsluitend zijn aanbevelingen geformuleerd voor de provincie Zeeland.

Het 'tweede biodebat' was met de Zeeuwse industrie, op 28 mei 2009 in Oostkappelle. Voorafgaand aan het debat waren met zo&amp;rsquo;n vijftien bedrijven interviews gevoerd. Daarbij lopende initiatieven en ambities in kaart gebracht, en is gevraagd naar belemmeringen en kansen. Bij diverse bedrijven lopen initiatieven, deels met inzet van biomassa als voedingsstof voor producten, deels als energiebron. Zo wordt bij Thermphos grootschalig beendermeel en RWZI-slib in het proces ingezet.

Tijdens het debat presenteerden Thermphos, Delta en Dow hun plannen. Enkele kansrijke opties die naar voren kwamen uit de discussie:

    integratie van een energiecentrale met Thermphos;
    pilot-plants van internationale concerns (Total, Dow) naar Zeeland zien te krijgen;
    realisatie van een infrastructuur voor industri&amp;euml;le restwarmte;
    samenwerking met industri&amp;euml;le biomassa industrie in West-Brabant.

Het complete verslag is hier te vinden.
Het 'derde biodebat' richtte zich op de Zeeuwse landbouwsector. Dit werd gevoerd met zo&amp;rsquo;n 30 deelnemers in de proefboerderij van &amp;lsquo;de Rusthoeve&amp;rsquo; in Colijnsplaat. Voorafgaand aan het debat waren interviews uitgevoerd met bedrijven in de agrarische sector en verwerkende industrie.
Tijdens het debat presenteerde Gert Huisman van de Hogeschool Zeeland de resultaten van een onderzoek naar verwerking van Zeeuwse restmassastromen. Daarnaast waren er presentaties van Peter Louwman (directeur Delta Milieu), Wim Soetaert (Universiteit Gent) en Gijsbrecht Gunter (Stichting Afzetbevordering Ui).&amp;nbsp; 
Enkele conclusies:

    uit typisch &amp;lsquo;Zeeuwse&amp;rsquo; producten als bieten, uien, vlas kunnen in potentie hoogwaardige bio-producten worden gemaakt, zie de ervaringen met uien;
    reststromen van gemeenten (GFT) en waterschappen kunnen hoogwaardiger worden verwerkt, bijv. via vergisting. Hiervoor is co&amp;ouml;rdinatie vanuit de provincie gewenst.
    vereenvoudiging van procedures voor vergunningverlening is gewenst;
    een duidelijk Zeeuws biomassa-programma is gewenst, waarmee Zeeland zich kan onderscheiden van Rotterdam en Groningen.

Het complete verslag is hier te vinden.
Aanbevelingen
Op basis van de debatten heeft CE Delft aanbevelingen opgesteld voor de provincie Zeeland. Deze zijn er op gericht dat kansen worden gerealiseerd. Dit kan zowel leiden tot versterking van de economie op lange termijn als tot vermindering van milieubelasting.]]></description>
			<pubDate>Tue, 16 Mar 2010 13:41:28 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-reductie warmteopties glastuinbouw West-Brabant ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</guid>
			<description><![CDATA[In Steenbergen - tussen Dinteloord en Stampersgat &amp;ndash; is een glastuinbouwlocatie gepland van circa 220 hectare netto. Milieudefensie wil graag - naast de ruimtelijke bezwaren die zij tegen deze nieuwe glastuinbouwlocatie heeft - de energiekant van dit project aan de orde stellen, zeker nu we aan de vooravond staan van de internationale klimaatbijeenkomst in 'Kopenhagen'. Milieudefensie wil graag inzicht hebben in de CO2-uitstoot die het kassencomplex zal veroorzaken. Een globale inschatting van de huidige CO2-emissie van Steenbergen geeft een emissie van 245 kton CO2. Indien de nieuwe glastuinbouwlocatie doorgang vindt, dan zal bij de referentie-uitvoering (ketel en elektriciteitsinkoop) de totale emissie van Steenbergen toenemen met 151 kton, een toename van 62%. De bandbreedte van de verschillende, semi-kwantitatief bepaalde opties, is een besparing ten opzichte van referentiesituatie van 8-51%. Echter, een aantal opties kan als onrealistisch worden bestempeld. Zo zal naar verwachting aardwarmte niet mogelijk zijn, evenals de CO2-afvang/opslag. Dat betekent dat de realistische bandbreedte, gegeven de aannames, zal liggen tussen de 8-34%. Met deze bandbreedte zal dus de totale CO2-emissie in Steenbergen toe kunnen nemen met 100 tot 140 kton, ofwel 40 tot 57%.]]></description>
			<pubDate>Wed, 27 Jan 2010 11:20:06 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[LNG cold: Opportunities for large-scale energy savings? ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/lng_cold%3A_opportunities_for_large-scale_energy_savings_/996</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/lng_cold%3A_opportunities_for_large-scale_energy_savings_/996</guid>
			<description><![CDATA[Energiebesparing is een belangrijke optie om in industri&amp;euml;le processen CO2-emissies te reduceren &amp;eacute;n kostenbesparingen te realiseren. Behalve besparingen binnen bedrijven, zijn soms ook grote besparingen mogelijk door integratie tussen bedrijven. Een bijzonder interessante optie is het benutten van de grote hoeveelheden koude die bij de drie geplande LNG-terminals, waar LNG (vloeibaar gas) zal worden opgeslagen. Op verzoek van SenterNovem heeft CE Delft in kaart gebracht hoe deze koude benut kan worden bij twee industri&amp;euml;le processen: kolenvergassing en CO2-opslag. De uitgevoerde deskstudie en gesprekken met industri&amp;euml;le bedrijven leidden tot vier serieuze opties. In totaal bieden deze, uitgaande van een typerende 12 BCM-terminal, de potentie om ca. 1,6 PJ aan energie te besparen, ofwel het elektriciteitsgebruik van ca. 50.000 huishoudens.
Een belangrijke beperking is dat de LNG-terminals niet constant gas uit zullen zenden. Daarom zullen &amp;lsquo;back-up&amp;rsquo;-voorzieningen nodig zijn voor wanneer geen LNG-koude beschikbaar is. De resultaten zijn besproken in een workshop met bedrijven en overheden uit de Eemshaven. Link naar het verslag van deze workshop.]]></description>
			<pubDate>Wed, 24 Mar 2010 08:55:39 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame elektriciteitsmarkt? ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</guid>
			<description><![CDATA[Zonder aanvullend beleid worden de duurzame energiedoelen niet gehaald

Het opgestelde vermogen in Nederland om elektriciteit op te wekken neemt, na een periode dat er nauwelijks nieuwe centrales werden gebouwd, de komende jaren flink toe. Voor een deel zullen de nieuwe gas- en kolencentrales oude exemplaren gaan vervangen, maar het gaat ook om uitbreiding van de totale productie. Het totaal opgestelde vermogen neemt per saldo met 70% toe tot 40 GW in 2020.&amp;nbsp; De elektriciteitsvraag in Nederland groeit naar verwachting van 120 TWh in 2008 naar 145 TWh in 2020 en neemt dus met 20% toe. 

De productiecapaciteit in Nederland moet worden beoordeeld in de context van de Noord-West Europese elektriciteitmarkt. Een deel van de elektriciteitsproductie zou kunnen worden ge&amp;euml;xporteerd naar de ons omringende landen. Er is nu voldoende technische capaciteit voor een export van 20% van de huidige productie. De exportcapaciteit wordt zelfs uitgebreid. Maar doordat ook in de ons omringende landen veel nieuwe centrales worden bijgebouwd en er ook daar hoge duurzame energiedoelstellingen zijn, is de kans op export beperkt door economische redenen. 

Omdat het elektrisch vermogen toeneemt met 70%, terwijl de binnenlandse vraag&amp;nbsp; maar met 20% toeneemt en de mogelijkheid voor export (buitenlandse vraag) beperkt is, zal er sprake zijn van overcapaciteit. Dit is slecht voor het investeringsklimaat voor duurzame energie. De subsidieregeling voor duurzame elektriciteit (SDE) biedt bedrijven weliswaar de mogelijkheid om duurzame elektriciteit concurrerend te produceren, maar is wel vrijblijvend. Aangezien energiebedrijven niet verantwoordelijk zijn voor de duurzame energiedoelstelling, kan niet verwacht worden dat zij bij een overcapaciteit in conventioneel vermogen ook gaan investeren in duurzame elektriciteitprojecten. Het directe belang voor energiebedrijven ontbreekt, omdat de incentives (prijzen, subsidies, verplichtingen) nog onvoldoende sturend zijn naar Schoon en Zuinig. De energiebedrijven kennen een sterker belang toe aan conventioneel vermogen dan aan duurzaam vermogen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Dec 2009 14:46:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Rentabiliteit van WKK]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</guid>
			<description><![CDATA[Het ministerie van Economische Zaken heeft in de brief van 23 februari 2009 (28665, nr. 100) vastgesteld dat (bijna) alle vormen van nieuw te realiseren warmtekrachtkoppeling (WKK) in Nederland kunnen concurreren met andere manieren van energieopwekking en om die reden geen financi&amp;euml;le ondersteuning vanuit de overheid nodig hebben. Het ministerie gebruikt cijfers van ECN (Onrendabele Top Berekeningen voor nieuw WKK-vermogen 2009) om deze conclusie te onderbouwen. Vanuit verschillende sectoren waar warmtekrachtkoppeling wordt toegepast is geprotesteerd tegen de conclusie van het ministerie en het besluit om geen exploitatiesubsidie te verlenen aan nieuw te bouwen WKK-installaties.

De Tweede Kamer heeft op basis van de motie Vendrik/Zijlstra (31239/44), aan CE Delft de opdracht gegeven om een second opinion te geven voor het model en de cijfers die ECN heeft gehanteerd en de manier waarop het ministerie tot de conclusie is gekomen dat (vrijwel) alle categorie&amp;euml;n WKK rendabel ge&amp;euml;xploiteerd kunnen worden.]]></description>
			<pubDate>Tue, 06 Oct 2009 15:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Kansen voor duurzame biomassa in Zeeland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/kansen_voor_duurzame_biomassa_in_zeeland/1009</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/kansen_voor_duurzame_biomassa_in_zeeland/1009</guid>
			<description><![CDATA[In een &amp;lsquo;biodebat&amp;rsquo; op 22 januari 2009 in Goes hebben industrie, landbouw, de Zeeuwse MilieuFederatie, onderzoeksinstellingen en overheden de gedachten gewisseld over kansen voor biomassa in Zeeland. De open discussie maakte duidelijk dat op veel punten de meningen gelijk oplopen en er een gemeenschappelijke ambitie is concrete projecten gerealiseerd te krijgen

Op korte termijn liggen er in Zeeland vooral kansen om reststromen van biomassa, CO2 en warmte uit industrie en landbouw (hoogwaardiger) te gaan hergebruiken. Concrete kansen lijken er voor inzet van uienschillen, vergisting van residuen uit groenbeheer en inzet van fosforrijke reststromen bij Thermphos.
Op langere termijn zijn er kansen om via innovatieve processen biomassa in te zetten in de Zeeuwse petrochemie. Bijvoorbeeld door toepassing van de door Biofuels ontwikkelde HTU-technologie.&amp;nbsp; Duidelijk is wel dat dekken van de gehele Zeeuwse behoefte aan energie veel biomassa en ruimte zou vergen: 15* het oppervlak van de provincie. Dat vraagt import van biomassa. 
De gesignaleerde korte termijn- en lange termijnkansen worden concreter uitgewerkt in een tweetal volgende debatten voor landbouw en industrie. Doel daarvan is dat duidelijk is wat van verschillende kanten in Zeeland nodig is om de aanwezige kansen daadwerkelijk tot realisatie te brengen.

Een verslag van de bijeenkomst met aanbevelingen voor verdere uitwerking van gesignaliseerde kansen is verzorgd door CE Delft.]]></description>
			<pubDate>Fri, 05 Feb 2010 10:59:41 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Routekaart Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</guid>
			<description><![CDATA[ Er kan veel energie bespaard worden door het beter benutten van industri&amp;euml;le restwarmte, warmte/koudeopslag en geothermie. In het Klimaatakkoord hebben IPO (Interprovinciaal Overleg) en Rijk afspraken gemaakt om voor 2020 50 PJ van het potentieel te gaan realiseren. Het blijkt in de praktijk echter vaak complex om projecten van de grond te krijgen.

Het IPO heeft daarom CE Delft gevraagd om in beeld te brengen welke rollen provincies hierin het beste kunnen vervullen. het project hebben we als eerste alle bestaande &amp;eacute;n kansrijke locaties voor warmtelevering in kaart gebracht. Daarna hebben we door gesprekken met provincies en stakeholders knelpunten en mogelijke oplossingrichtingen ge&amp;iuml;nventariseerd.

Het blijkt dat de rol van de provincies liggen vooral in de &amp;lsquo;initiatieffase&amp;rsquo;: onder andere door systematisch kansrijke locaties in kaart te brengen, en projecten een eerste zet te geven door de relevante partijen bij elkaar te brengen. Vanuit het Rijk heeft warmtebenutting veel meer aandacht gekregen, onder andere via de oprichting van het Expertisecentrum Warmte. Aanvullend hierop het gewenst dat het Rijk regelgeving aanpast, vooral voor grondwater (waterwet), diepe ondergrond (mijnwet) en restwarmte, zodat provincies en anderen echt kunnen sturen op effectieve benutting van het warmte- en koudepotentieel.




Het IPO gebruikt de resultaten van het project bij het maken van afspraken over de uitvoering bij het Klimaatakkoord Rijk-IPO.
]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 10:46:07 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieudienst Rijnmond: Ontwikkelen aanpak voor energiebesparing in controles Wet milieubeheer.]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieudienst_rijnmond%3A_ontwikkelen_aanpak_voor_energiebesparing_in_controles_wet_milieubeheer./986</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieudienst_rijnmond%3A_ontwikkelen_aanpak_voor_energiebesparing_in_controles_wet_milieubeheer./986</guid>
			<description><![CDATA[De DCMR Milieudienst Rijnmond is verantwoordelijk voor de uitvoering van milieuwetgeving bij een groot aantal bedrijven en instellingen in het Rijnmondgebied. Sinds enkele jaren krijgt ook het aspect energie prioriteit. Het kader daarvoor zijn de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit: deze verplichten bedrijven boven een bepaald energiegebruik om maatregelen met een terugverdientijd kleiner dan vijf jaar te nemen. 

CE Delft heeft de DCMR gedurende 2008 in een detachering ondersteund om dit daadwerkelijk vorm te geven. Onder andere hebben we meegedacht over de te hanteren werkwijze en hulpmiddelen ontwikkeld voor programmering, uitvoering en monitoring. 
Kernpunt van de aanpak is dat circa 3.000 midden- en grootverbruikers worden doorgelicht aan de hand van checklists. Dit gebeurt branchegewijs, waarbij achtereenvolgens sectoren als voortgezet onderwijs, zorg, kantoren en gemeentelijke instellingen aan bod komen. Blijkt uit de doorlichting dat een instelling of bedrijf veel besparende maatregelen kan treffen, daarna moet het een planning opstellen waarin het aan geeft wanneer deze zullen worden genomen. 

Inmiddels is de aanpak met succes in uitvoering. Per 1 oktober 2009 zijn circa 800 bedrijven en instellingen doorgelicht en zijn 130 plannen ingediend. Meer dan 80% van de bedrijven en instellingen gaat besparende maatregelen nemen. Een eerste indicatie is dat met de aanpak in Rijnmond een besparing van zo&amp;rsquo;n 100 kton CO2 (ofwel 30.000 huishoudens) kan worden gerealiseerd.]]></description>
			<pubDate>Tue, 03 Nov 2009 12:47:37 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Study Visit Oxy Fuel Power Plant Vattenfall]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/study_visit_oxy_fuel_power_plant_vattenfall/923</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/study_visit_oxy_fuel_power_plant_vattenfall/923</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft recently organised a study trip to a German pilot plant for CO2 storage being rolled out by the international energy company Vattenfall. This 30 MW demo power plant based on oxy fuel technology is one of the first power plants equipped with capture of CO2. The twenty participants from industry, government and research institutions were keen to learn more about the technology.

This study visit made clear that the oxy fuel technology has as main advantages:
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Low rest-emissions of CO2; almost 100% capture possible.
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Emissions of NOx, SO2 and particulate matter can be almost neglible. 
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Technology fits well with existing technology on modern &amp;lsquo;conventional&amp;rsquo;, making it possible to scale up soon.

Vattenfall foresees scaling up the technology to 250 MW in 2015 and 1,000 MW in 2020. By 2030 the target is a net cost of &amp;euro; 20/ton CO2 avoided. In return, the delegation informed Vattenfall about the LNG Oxy Fuel concept and ongoing developments in the ports of Rotterdam and Eemshaven. CE Delft has prepared a report on the trip. 

The study trip was organised by CE Delft at the request of Deltalinqs, the association of industries operating at Rotterdam port. ]]></description>
			<pubDate>Wed, 01 Apr 2009 12:05:28 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[External costs of coal]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/external_costs_of_coal/878</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/external_costs_of_coal/878</guid>
			<description><![CDATA[The report estimates the global annual value of external costs related to coal combustion and mining. Three types of factors have been examined: costs for the society attributable to climate change, human health impacts that result from air pollution and fatalities due to major accidents resulting from mining. Selection of countries included in calculations is based on global ranking of CO2 emissions. Over 90% of global emissions have been taken into account in calculations. The rates of damages per tonne of pollutants which have been used in calculations are based on the results of the NEEDS project (from the ExternE series). Combining all damages, we arrive at a total annual damage figure of approximately 357 billion Euro in the year 2007. This estimate is conservative, as not all emissions have been covered and not all possible damages have been valued. The highest damages can be attributed to coal combustion - about 99% of the total value. The largest contribution is due to SO2 emissions, with 38%. The contribution of CO2 is similar - about 37%, NOx contributes 14% and fine particles 11%. The report has been prepared for Greenpeace International. Greenpeace has used its findings in launching a global campaign against excessive use of coal for power production, in order to raise global awareness about damages related to coal in different stages of its production and use.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:12:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</guid>
			<description><![CDATA[Het Regieorgaan Energietransitie heeft een strategie uitgedacht voor de verduurzaming van elektriciteit en warmte/koude. De strategie behelst: a	Maximaal besparen. b	Voorrang voor hernieuwbaar vermogen en energiezuinige warmtekracht. c	Daardoor neemt de ruimte voor nieuwe basislast (&amp;lsquo;must-run&amp;rsquo;-vermogen) af. d	En neemt de behoefte aan snel regelbaar flexibel gasvermogen toe. e	&amp;lsquo;Gas&amp;rsquo; kan aanvankelijk aardgas zijn, in toenemende mate kan kolengas en biogas worden gebruikt. CE Delft en Jan Paul van Soest Advies voor Duurzaamheid (JPvS) hebben in het rapport deze strategie nader onderbouwd en getoetst op robuustheid. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van een reeks simulatieberekeningen van de TU Delft. Uit die berekeningen blijkt dat must-run basislastvermogen en hernieuwbaar vermogen elkaar in de weg zitten in het Noordwest Europese elektriciteitssysteem. Bij volledig uitrollen van het kabinetsplan Schoon en Zuinig is de ruimte voor (nieuw) basislastvermogen zeer gering. Het wisselende aanbod van hernieuwbare energie, in het bijzonder windenergie, is goed in het elektriciteitssysteem in te passen via snel regelbaar gasgestookt vermogen. Op relatief korte termijn (tot ca 2020-2025) is dit de enige re&amp;euml;le route voor inpassing van wind.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 10:18:44 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op realisering groot aandeel duurzame elektriciteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</guid>
			<description><![CDATA[De rapportage bevat het gezamenlijk voorstel van milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven voor het toekomstig stimuleringsbeleid voor hernieuwbare elektriciteit. Inzet van alle partijen is om een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit te bereiken in 2020. Het voorstel is afkomstig van Stichting Natuur en Milieu, EnergieNed, Nuon, Esent, Eneco, Greenchoice, Greenpeace, de DE-koepel en ABVAKABO FNV, en gefaciliteerd door CE Delft. Dit voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2030 van de energiesector. De partijen pleiten voor een stabiel marktinstrumentarium waarbij het kostprijsverschil tussen hernieuwbare en conventionele stroom structureel overbrugd wordt. Hernieuwba-re technieken zijn nog altijd duurder dan conventionele technieken in 2020. De huidige SDE-regeling vormt een goed instrument om dit kostprijsverschil (de zogenoemde onren-dabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op twee belangrijke punten verbeterd te worden. Allereerst is het noodzakelijk dat er een langdurig politiek commitment wordt vastgelegd voor de investeringen die samenhangen met het bereiken van de doelen. Als tweede verbeterpunt pleiten de partijen er tevens voor om de financiering van de SDE via de elektriciteitsprijs te laten verlopen in plaats van via de begroting. Voor stimulering van duurzame energieproductie vanaf 2015 pleit de werkgroep voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Polen, Zweden en Belgi&amp;euml;. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, o.a. een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 10 Apr 2009 12:03:36 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Maatschappelijke effecten vermindering luchtverontreiniging]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</guid>
			<description><![CDATA[De NEC-richtlijn, de Europese richtlijn waarin voor alle lidstaten een emissieplafond voor verschillende luchtverontreinigende stoffen worden gesteld, staat op het punt om aangepast te worden. In dit rapport beschrijven we de resultaten van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van mogelijke nieuwe NEC-doelen voor 2020. In deze studie wordt rekening gehouden met de gevolgen van het intensiveren van het Nederlandse klimaatbeleid voor de emissies van NEC-stoffen. Reeds vastgestelde beleidsmaatregelen worden in het nulalternatief meegenomen. Dit onderzoek is bedoeld als nadere input bij het bepalen van de Nederlandse positie in de onderhandelingen binnen de EU over de hoogte van de plafonds.   De contante waarde van alle geprijsde effecten bedraagt circa 1,7 miljard Euro negatief. De contante waarde van de externe effecten is 5,2 miljard Euro in het projectalternatief, waarbij de natuurbaten op PM zijn gezet. De voornaamste bijdrage aan de baten wordt gevormd door afnemende mortaliteit door blootstelling aan fijn stof. Het gaat om zowel primair fijn stof als om secundair fijn stof, hetgeen impliceert dat deze baten ook afhankelijk zijn van de emissiereducties van NH3, NOx en SO2. Ook chronische bronchitis en ziektedagen (dagen met beperkte activiteit) als gevolg van fijn stof speelt een rol van betekenis bij de MKBA. De overige effecten dragen in slechts zeer beperkte mate bij aan de resultaten van de MKBA.  Een vergelijking van de verdisconteerde kosten met de baten laat zien dat aanscherping van de NEC-doelen een effici&amp;euml;nt beleid is: de baten zijn met  3,5 miljard Euro beduidend groter dan de kosten. Deze conclusie blijft overeind als we de waardering van gezondheidseffecten door verbetering van de luchtkwaliteit lager inschatten (dan gebruikelijk is). De baten pakken nog positiever uit als ook de impacts op natuur en ecosystemen worden meegenomen. In een tentatieve analyse laten we zien dat in deze studie de natuurbaten kunnen oplopen tot ongeveer 20% van de gezondheidsbaten.   De kosten van aanscherping van de NEC-doelen zijn verdeeld over de verschillende sectoren, maar lijken maatschappelijk gedragen te kunnen worden. Voor het grootste deel kunnen de kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de burger. De baten van de NEC-doelen slaan neer bij alle burgers die profiteren van een schonere lucht. De baten in Nederland komen voor een belangrijk deel door maatregelen in de Nederlandse landbouwsector die NH3 en tegelijkertijd primair fijn stof reduceren, alsmede de maatregelen die in het buitenland worden getroffen ter vermindering van fijn stof.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:05:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Competitiveness from EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</guid>
			<description><![CDATA[Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) is in 2005 gelanceerd om de CO2-emissies van grote industri&amp;euml;le installaties te maximeren. De Commissie stelt momenteel het EU ETS post-2012 systeem vast, zoals in COM(2008)16 (EC, 2008) in grote lijnen is geschetst. Nieuw in dit systeem is dat een groter deel van de rechten zal worden geveild. Het veilen van emissierechten waarborgt in zijn algemeenheid een grotere mate van efficiency dan (bepaalde vormen van) vrije allocatie, vermindert de administratieve kosten en voorkomt eventuele oneigenlijke winstvorming (windfall profits).   Het veilen van rechten kan echter ook leiden tot een potentieel verlies aan concurrentievermogen voor de industrie. Zeker als er geen mondiaal klimaatakkoord tot stand komt zijn bedrijven niet altijd in staat om hogere kosten aan hun klanten door te berekenen en kan er sprake zijn van een verlies aan rendement en de dreiging van importsubstitutie. Een verplaatsing van de productie naar landen die geen CO2-doelen kennen resulteert in een wereldwijde toename van de CO2-emissies. Dit fenomeen wordt wel een koolstoflek (carbon leakage) genoemd. Om een koolstoflek te voorkomen, heeft de Commissie voorgesteld kwetsbare sectoren vrij te stellen van de veilingplicht en hun op basis van een benchmark vrijelijk rechten toe te wijzen. Het belangrijkste criterium hierbij is een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen, op grond waarvan wordt besloten of bepaalde sectoren veilingplichtig zijn of in aanmerking komen voor vrije allocatie.  In deze studie is onderzocht welke sectoren binnen de Nederlandse economie bij een veilingsysteem mogelijk te maken krijgen met een verlies aan concurrentievermogen. Het concurrentievermogen wordt be&amp;iuml;nvloed door de combinatie van aanzienlijke potenti&amp;euml;le kostprijsstijgingen en wezenlijke import- en exportstromen van en naar landen zonder vergelijkbaar klimaatregime. Het lijkt erop dat vooral in de sectoren aluminium, kunstmest, ijzer en staal, anorganische en andere basischemicali&amp;euml;n, relatief hoge prijsstijgingen te verwachten zijn, die mogelijk niet volledig aan de klanten kunnen worden doorberekend. Het rendement in deze sectoren kan afnemen en de kans op koolstoflekken neemt toe.   Wat betreft de impact op de nationale economie (d.w.z. het BNP) zijn de gevolgen echter waarschijnlijk gering. De directe kosten van het voldoen aan EU ETS bedragen 0,2% van het BBP bij een CO2-prijs van &amp;euro; 20/ton. De industrie zal deze kosten gemiddeld voor ongeveer de helft kunnen doorberekenen aan de afnemers. Verslechtering van de marktpositie kan optreden in sectoren met hoge kosten en weinig mogelijkheden tot doorberekening, maar deze sectoren zijn - met uitzondering van de ijzer- en staalindustrie - relatief klein (in totaal circa 1,15% van het BNP). Daarnaast zullen, indien het internationale klimaatbeleid tot het jaar 2020 ertoe leidt dat meer landen instemmen met bindende reductietargets, de gevolgen voor het concurrentievermogen kleiner zijn dan die welke hier zijn geanalyseerd.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[De 'oxy-fuel' route]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/de_oxy-fuel_route/745</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/de_oxy-fuel_route/745</guid>
			<description><![CDATA[In the ports of Rotterdam and the Eemshaven both power-plants and terminals for liquefied natural gas, LNG, are planned. In LNG-terminals a vast amount of cold is available. The enclosed report describes a route for using this cold of the LNG-terminals, integration of power plants and LNG terminals. Central is the use of cold for the production of oxygen, which in turn is used for firing oxy-fuel fired power stations. Besides, the cold can be used for CO2-compression and in the condenser-cycle of steam-turbines. The study was carried out by CE Delft on behalf of SenterNovem (program &amp;ldquo;energy-savings and chain-efficiency in industry&amp;rdquo;). The study indicates that for one LNG-terminal and one coal-fired power plant this route results in major improvements:

    Substantial energy savings (efficiency of app. 43%, a saving of about 9 PJ 
    [this is equivalent to the total use of energy of the city of Delft).
    Negligible emissions of nitrogen-oxydes (NOx, compared to 1,4 Mton with post-combustion capture).
    Savings in costs, due to superior energy efficiency.

Main points of attention are back-up provisions (not elaborated in the study) and the development of oxy-fuel coal technology (now at pilot stage).  It is recommended to site LNG terminals and coal-fired generating capacity close together and anticipate in the design stage of new LNG terminals and power plants on integration.]]></description>
			<pubDate>Fri, 04 Dec 2009 14:41:11 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing bedrijven Delft: Prioritering van bedrijven en een effectieve werkwijze]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</guid>
			<description><![CDATA[Voor de 1.500 kleine en middelgrote bedrijven in Delft is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet milieubeheer. Een onderdeel daarvan is energiebesparing. De gemeente heeft CE Delft gevraagd om na te gaan hoe dat zo effectief mogelijk kan:

- bij welke bedrijven moet prioriteit liggen?
- welke aanpak kan bij die bedrijven het beste worden gevolgd?

Het project is gestart met een overzicht van bedrijven, energiegebruik en CO2-emissies. De totale CO2-emissie van de Delftse bedrijven ligt op ca. 150 kton. Naast enkele grote bedrijven en instellingen als de TU en TNO, blijkt het vooral te gaan om sectoren als supermarkten, kantoren en verzorgingstehuizen. Bij deze sectoren is er doorgaans een aanzienlijk potentieel voor energiebesparing, energiebesparing, in de orde van 15- 30%. Vervolgens is een workshop gehouden met de medewerkers van het vakteam milieu van de gemeente Delft. Hierin werd besloten om in de toekomst een duidelijk onderscheid te maken tussen sectoren met een groot en met een klein energiegebruik. Grootverbruikers krijgen een aangekondigd bezoek, specifiek gericht op energiebesparing. Daarbij wordt met een checklist gekeken of rendabele maatregelen zijn getroffen. Bij kleinverbruikers ligt de focus op voorlichting, onder andere met de folders van het energiecentrum MKB en Infomil. Prioriteiten voor 2008 zijn de MJA-II bedrijven (aanpak &amp;lsquo;free-riders&amp;rsquo;), nieuwbouw (afstemming met bouwtoezicht) en de supermarkten (verplichting tot afdekking koelvakken).]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:34:08 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Environmental policy for power stations]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</guid>
			<description><![CDATA[Op dit moment zijn er ambitieuze klimaatdoelstelling maar worden er ook nieuwe kolencentrales in Nederland gebouwd. Deze studie geeft twee verklaringen voor deze situatie. Allereerst is het klimaatbeleid op de lange termijn zo vaag dat bedrijven er bij het nemen van investeringsbeslissingen geen rekening mee kunnen houden. Hierbij gaat het onder andere over de invulling van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) na 2012. Verder lijkt de  Nederlandse allocatie van emissierechten onder het EU ETS kolencentrales te bevoordelen, door onderscheid te maken naar brandstoftype, en maakt het strategisch on-dernemersgedrag mogelijk.   Deze bevindingen hebben twee beleidsconsequenties. Allereerst zal de manier waarop emissierechten verdeeld worden verbetert moeten worden. Benchmarking is een optie, maar deze moet zo onafhankelijk mogelijk zijn van historisch gebruik en brandstoftype. Veiling van rechten is ook een goede optie. Het is echter onzeker welke veranderingen in het EU ETS systeem zullen plaatsvinden. Dit hangt samen met het politieke klimaat in Brussel en in andere EU landen. Daarom is het van belang om op de korte termijn ook overheidsregulering in te zetten. De overheid moet bedrijven in de goede richting leiden door de adoptie van no regret maatregelen te stimuleren.]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:56:31 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Marktverkenning decentraal WKK-vermogen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</guid>
			<description><![CDATA[TenneT heeft haar Kwaliteits- en Capaciteitsplan voor de periode 2008-2014 opgesteld. Hiervoor wilde TenneT een goed beeld hebben van de ontwikkeling van het decentrale WKK-vermogen en het gebruik hiervan. CE Delft heeft hiervoor een verkenning uitgevoerd op basis van eigen expertise en ervaring en interviews met enkele relevante actoren. De uitkomsten zijn vertaald naar vier scenariobeelden die TenneT standaard hanteert in haar plannen. Binnen deze scenario’s varieert de toename van het WKK-vermogen over de periode 2008-2014 van 1500 MWe tot 3300 MWe. Dit betekent dat het totale WKK-vermogen blijft onder de door de overheid gewenste groei. Met gericht aanvullend stimuleringsbeleid is het beoogde niveau wel realiseerbaar, tot een maximum van 7000 MWe aan nieuw WKK-vermogen, maar dan wordt voorbijgegaan aan de kosteneffectiviteit hiervan.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiebeleid Lucht voor de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiebeleid_lucht_voor_de_industrie/611</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiebeleid_lucht_voor_de_industrie/611</guid>
			<description><![CDATA[Voor het realiseren van duurzame niveaus van luchtkwaliteit voor gezondheid en natuur zijn nationaal en internationaal diverse beleidsinstrumenten ingezet. Deze instrumenten hebben tot doel de luchtverontreinigende emissies te beperken en niveaus van goede luchtkwaliteit te handhaven.

Doordat deze instrumenten in de loop der jaren en deels vanuit verschillende optiek zijn opgezet, werken ze vaak ten dele naast elkaar of komen boven op elkaar en mist het bouwwerk van instrumenten de benodigde consistentie. Dit gegeven leidt tot fricties die door het bedrijfsleven, maar ook door overheden worden beleefd.
Deze zijn het gevolg zijn van de toepassing van de richtlijnen of van een interpretatie van deze richtlijnen. In ieder geval leidt het toegepaste beleid tot discussie en tot het gevoel dat er weerstanden optreden die onterecht zijn. Aan de andere kant moet ook geconstateerd worden dat het beleid (met fricties) er wel voor zorgt dat de emissies naar de lucht gestaag dalen.
In het project fricties in het industri&euml;le luchtbeleid is nagegaan waar deze fricties uit bestaan, hoe ze worden beleefd en wat er eventueel aan kan worden gedaan.

Op welke manier kan het emissiebeleid lucht voor de industrie beter worden vormgegeven? Hiervoor is niet een eenduidig antwoord te geven. In het onderzoek is gebleken dat hierover ook geen consensus bestaat. 
Duidelijk is dat de luchtkwaliteit als uitgangspunt moet worden genomen. Immers het Europese streven is naar het verbeteren van de luchtkwaliteit opdat er geen significante negatieve effecten voor de gezondheid van de mens en voor het milieu optreden. Aangezien de luchtkwaliteit door vele bronnen in binnen en buitenland wordt veroorzaakt, moet er voor worden gezorgd dat er emissie-eisen op grote schaal worden gesteld. Deze eisen worden vastgelegd in bronbeleid (emissie-eisen voor voertuigen, IPPC) en in de NEC-plafonds (emissie-eisen per lidstaat). De NEC-plafonds zijn gerelateerd aan de doorwerking van deze eisen naar de luchtkwaliteit. Dit vraagt tevens om een goede sturing binnen de lidstaten om de plafonds te realiseren. Hiervoor moet een adequaat instrumentarium worden ontwikkeld. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[The Natural Gas Chain*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/the_natural_gas_chain%2A/552</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/the_natural_gas_chain%2A/552</guid>
			<description><![CDATA[Costs and environmental impact are important drivers for investigating the natural gas life cycle. Environmental impact will more and more become an important subject in industry policy and strategy. While natural gas is now performing well in terms of environmental profile with respect to other fossil energy sources, continued efforts will be essential to keep this position in a changing market and with other fossil fuels working on their environmental impacts.    The International Gas Union (IGU) therefore started a life-cycle initiative for the natural gas chain. The aim is to collect and structure industry data on consumptions and emissions along the life cycle of natural gas. The CE report describes the initiation of the life-cycle inventory and intitial findings.    One of the main issues in the natural gas chain is the loss of product through fugitive emissions and venting or flaring. Natural gas &amp;ndash; methane &amp;ndash; has a high global warming impact and therefore product loss and climate impact are closely related. This means that reducing losses leads to improved economic as well as environmental performance. In order to identify the &amp;ndash; most attractive &amp;ndash; options for improvement, further expansion of the life-cycle database is desirable. Nevertheless, the data collected in this project do cover a fair fraction of the global volume and give useful first insight into issues as well as options along the gas chain.]]></description>
			<pubDate>Tue, 07 Apr 2009 14:57:43 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiek in Rijnmond 2007*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</guid>
			<description><![CDATA[Een samenwerkingsverband van overheden in Rijnmond, onder de naam Milieumonitoring Stadsregio Rotterdam, zorgt jaarlijks voor totaal-overzicht in de milieusituatie in Rijnmond, via het zgn. MSR-rapport.  In 2007 staat, vanwege de hoge actualiteit van energie in Rotterdam, het thema energie centraal, en heeft CE het themarapport Energie in Rijnmond opgesteld. Het rapport geeft een gedetailleerd overzicht van de energiestromen in Rijnmond. Per doelgroep brengt het vervolgens in beeld wat emissies zijn, ontwikkelingen, mogelijke maatregelen en taken/rollen van stakeholders. Een accent ligt daarbij op het industrie/energie-complex, vanwege de grote energie en CO2-stromen en de geplande omvangrijke investeringen. Het rapport eindigt met aanbevelingen voor het regionale beleid, en de monitoring daarvan. Het rapport fungeert als onderlegger voor het Rotterdam Climate Initiative, het ambitieuze plan van overheden in de regio Rotterdam om te komen tot 50% emissiereductie per 2025. Een Rotterdamse delegatie heeft in mei 2007 de Engelstalige versie in New York overhandigd aan Bill Clinton, de leider van het wereldwijde Clinton-Initiative.]]></description>
			<pubDate>Tue, 16 Feb 2010 15:07:27 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overwinsten bij de subsidieregeling Milieukwaliteit ElektriciteitsProduc-tie (MEP)]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproduc-tie_%28mep%29/538</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproduc-tie_%28mep%29/538</guid>
			<description><![CDATA[De afgelopen jaren heeft de overheid meer subsidie betaald dan achteraf gezien nodig was om investeringen in wind op land projecten rendabel te maken. De hoogte van de subsidies zorgde er voor dat in veel gevallen de investeringen een hoger verwachte rendement opleverden dan normaliter in de markt ge&euml;ist werd; ondernemers lijken behoorlijke overwinsten te hebben behaald. Een van de voornaamste oorzaken is dat de overheid de elektriciteitsprijs te laag heeft ingeschat.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek dat CE Delft voor de Algemene Rekenkamer uitvoerde. Vorig jaar werd de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) stopgezet. Onder deze regeling ontvangen producenten van stroom uit biomassa, zonne-energie, wind- of waterkracht een vaste subsidie per kWh. De subsidie-uitgaven dreigden uit de hand te lopen. Bovendien werd ingeschat dat Nederland zou haar doelstelling om in 2010 9 % van de binnenlandse elektriciteitsproductie duurzaam op te wekken wel zou halen met reeds toegekende subsidies. 

Het kabinet heeft inmiddels scherpere doelen vastgesteld en een nieuwe subsidieregeling aangekondigd om de opwekking van duurzame elektriciteit te stimuleren. De uitdaging bij het vormgeven van een vernieuwde MEP blijft om de regeling even effectief te houden, maar tegen lagere uitgaven voor de overheid. 

Voor meer informatie kunt u naar de site gaan van de rekenkamer.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/516</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/516</guid>
			<description><![CDATA[Wordt een nieuwe elektriciteitcentrale goedkoop voor de consument of voor de burger? Elke elektriciteitcentrale veroorzaakt schade aan gezondheid en milieu als gevolg van de emissies van de centrale, maar ook emissies in de hele productieketen van de gebruikte brandstof. Nu er zoveel plannen zijn om een nieuwe centrale te bouwen in Nederland, heeft CE gekeken naar hoe deze schades (\&quot;externe kosten\&quot;) zich verhouden voor verschillende soorten centrale:volledig biomassa (op basis van resthout);poederkool, met en zonder biomassa bijstook;kolenvergassing;aardgas (STEG);kerncentrale.Voor een goede vergelijkbaarheid nemen we voor alle centrales een vermogen van 1.000 MW en een jaarproductie van 7.500 GWh. We bekijken de effecten zowel met als zonder CO2 afvang en -opslag en voor twee locaties: Eemshaven en Maasvlakte. Niet alleen emissies in de hele keten zijn meegenomen, maar ook ongevallen die kunnen optreden in de verschillende ketens zijn in de vergelijking meegenomen. Voor CO2 - een mondiaal milieuprobleem van nog niet exact te bepalen omvang - zijn meerdere schadeprijzen beschouwd. 

Van de verbrandingscentrales veroorzaken kolencentrales de hoogste externe kosten per opgewekte kWh. Een biomassacentrale gestookt op resthout veroorzaakt de laagste externe kosten. Alleen bij lage CO2 schadeprijs (9 euro/ton) geeft een gascentrale de minste externe kosten. Verschil in schade tussen de twee locaties treedt vooral op bij een kolencentrale en dan met name als gevolg van verwaaiingsemissies van stof bij op- en overslag van de kolen.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zoeken, vinden en winnen: een analyse van de drijvende krachten achter de beschikbaarheid van energiedragers; Olie, gas, kolen en uranium]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</guid>
			<description><![CDATA[Voor het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA) heeft CE Delft – in samenwerking met het Clingendael International Energy Programme (CIEP) onderzocht of we er vanuit mogen gaan dat fossiele energie en uranium in de komende tientallen jaren beschikbaar zullen blijven. Inzicht daarin kan van belang zijn voor nieuwe investeringen in de energievoorziening, maar ook voor de opstelling van Vlaanderen en Europa in politieke vraagstukken. 

In het onderzoek is de aandacht vooral gericht op het zgn. upstream-gedeelte van de markt. Dat is het traject van het lokaliseren van energiedragers in aardlagen tot het moment van winning. In dit deel van de energieketen bestond weinig inzicht. Wat daar speelt houdt vanzelfsprekend wel verband met wat er gebeurt in daarop volgende processen. Bij de uitspraken over de beschikbaarheid van olie, kolen gas en uranium wordt dan ook rekening gehouden met de drijvende krachten uit de gehele keten. Daarnaast wordt ook de duurzaamheid van de energievoorziening beschouwd.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2006]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2006/510</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2006/510</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. De elektriciteitsleveranciers hebben nationale productiegegevens nodig om dat etiket te kunnen samenstellen. CE heeft deze gegevens verzameld en daaruit de brandstofmix van de geleverde elektriciteit in Nederland in 2006, vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (25%), kernenergie (8,5%) en groene stroom (12%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 458 g CO2/KWh en 0,000254 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Coalitions for Energy Innovation in Europe*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</guid>
			<description><![CDATA[De Energietransitie is een initiatief van de Nederlandse overheid dat een structurele verandering naar een duurzame energiehuishouding voorstaat. Waar het lopende energiebeleid zich richt op het behalen van doelstellingen in het jaar 2010 is het transitiebeleid juist gericht op de periode daarna. Deze aanpak wil de Nederlandse overheid graag delen met internationale partners om samenwerkingsverbanden voor de toekomst op te bouwen. 

Samen met Clingendael International Programme (CIEP) heeft CE in opdracht van het Interdepartementale Programma Energietransities (IPE) een verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke Europese partners voor een Energietransitie aanpak op strategisch politiek en internationaal niveau. In de begeleidingscommissie van dit project zaten dhr. F. Vollenbroek (IPE), dhr. F. Dietz (IPE), dhr. F. Berkhout (VU Amsterdam) en dhr. E. Breunesse (Shell). 

De aanpak van het project bestond uit het opstellen van selectie criteria om daarmee een quick-scan uit te voeren voor de 25 EU landen op het gebied van energie innovatie. Dit leidde tot een selectie van 6 landen waar met een SWOT een verdiepende analyse per land is gemaakt. De geselecteerde landen (Denemarken, Duitsland, Polen, Spanje, Zweden en Engeland) werden vervolgens uitgenodigd voor een workshop om gezamenlijke acties en/of coalities op te starten. De SWOT analyse vormde daarvoor de basis als achtergrond document van de workshop dat op 24 november 2006 is gehouden in Den Haag. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Welke nieuwe energiecentrale in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_energiecentrale_in_nederland/502</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_energiecentrale_in_nederland/502</guid>
			<description><![CDATA[In het kader van het debat in Nederland over de vraag welk type nieuwe energiecentrale zou moeten worden gebouwd is door CE middels een in eigen beheer ontwikkeld cash flow computermodel de rendabiliteit van verschillende typen elektriciteitcentrales doorgerekend als functie van brandstofprijzen en CO2-prijzen.

Industrie en energiesector opteren voor kolenvermogen vanwege de lagere productiekosten voor elektriciteit. Vanuit klimaatbeleid en NEC beleid is voorkeur voor duurzaam of gasvermogen. Echter, de productiekosten hiervan zijn hoger. Aan de andere kant valt te verwachten dat in het kader van klimaatbeleid in de toekomst extra heffingen op CO2 zullen worden ingesteld, wat met name bij kolenvermogen op de productiekosten zal drukken. Mogelijk biedt CO2-afvang hiervoor een oplossing. Een alternatief is geen kolen, geen gas, maar kernenergie.

De belangrijkste conclusies op basis van de door CE uitgevoerde analyse zijn:Kolencentrales en gascentrales met afvang en opslag van CO2 zijn vanaf 
€ 20 - €40 per ton CO2 rendabeler dan centrales zonder CO2-afvang.Bij hoge brandstofprijzen en alleen kijkend naar de CO2-effecten (en niet naar het risico en de andere milieueffecten) is kernenergie vanaf een prijs van circa. € 30 per ton CO2 de goedkoopste optie.Bij lage brandstofprijzen is CO2-afvang en -opslag bij een STEG structureel goedkoper dan kernenergie.Centrales met warmtelevering zijn aantrekkelijker dan centrales zonder. Het levert een lagere CO2-emissie op van enkele honderden kilotonnen waardoor er een verschil in rentabiliteit tussen centrales met en zonder warmtelevering ontstaat. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Is er een vruchtbare toekomst voor groene grondstoffen in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</guid>
			<description><![CDATA[CE heeft voor het MNP die de energietransitie evaluateert de systeemoptie ‘Groene Grondstoffen’ uitgebreid bekeken. Gebruikte bronnen betroffen literatuurstudies en interviews met een zestal mensen ‘uit het veld’. In de studie is ook een globaal inzicht in de aan ‘groene grondstoffen gerelateerde productiekosten en 
milieubelasting gegenereerd, afgezet tegen de productiekosten en milieubelasting voor de concurrerende gangbare petrochemische alternatieven.

Uit de beschikbare informatie blijkt naar ons idee dat op dit moment al veel technologie beschikbaar is en in principe een aanzienlijk deel tot een zeer groot deel van de huidige grondstoffen technisch gezien zou kunnen worden geproduceerd op basis van biomassa. Belangrijkste knelpunten voor de introductie op de markt zijn met name de kostprijs en de onbekendheid met het product bij afnemers. Bij kostprijzen die soms 
2 - 3 maal hoger liggen als voor de te vervangen gangbare petrochemische producten wordt vaak alleen ge&iuml;mplementeerd wanneer het petrochemische product vanwege de milieuschade bij toepassing ervan (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven) wordt verboden of wanneer een eindgebruiker zich als duurzaam wil profileren (bioplastics). Er zijn een beperkt aantal voorbeelden gevonden waarin productie op basis van biomassa goedkoper is als productie op basis van petrochemische grondstoffen (ethanol, 1,3 propaandiol). ,
De voordelen van groene grondstoffen qua milieubelasting bij productie betreffen vooral de lagere toxiciteit bij gebruik van bepaalde producten (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven). 
Milieubelasting per eenheid product in de vorm van broeikasgasemissies is vaak alleen lager omdat een petrochemische grondstof - en dus de fossiele energie-inhoud en koolstof inhoud van deze grondstof - wordt uitgespaard. Maar de productieprocessen voor groene grondstoffen zijn vaak minder effici&euml;nt met energie als de petrochemische productieroutes. Mogelijke uitzondering is de productie van chemicali&euml;n waarin een stikstofatoom is opgenomen. 
 
Bovendien kan bij de teelt van met name eiwit producerende gewassen (bijvoorbeeld koolzaad) een significante emissie van broeikasgassen optreden door de benodigde gift aan stikstof meststoffen. Meerjarige olieproducerende of suikerproducerende gewassen hebben dit euvel vaak niet.
Een derde kanttekening voor specifiek de toepassing van geteelde biomassa als grondstof is dat het benodigde ruimtegebruik van dit soort grondstoffen een ernstige aanslag op het milieu kan veroorzaken wanneer natuur moet wijken voor teeltarealen. Het verdient dan ook de aanbeveling zoveel mogelijk gebruik te maken van reststromen of anders van gewassen met een zo hoog mogelijke opbrengst per hectare aan nuttige componenten in het gewas (suikerriet, suikerbiet, palmolie). 

We zien verder dat in Europa de subsidie op toepassing van biomassa voor elektriciteitproductie en voertuig brandstoffen een ongelijk speelveld heeft gecre&euml;erd waarin ontwikkeling van groene grondstoffen minder prioriteit krijgt en waarin kosten voor de grondstoffen voor de huidige groene grondstoffen stijgen omdat deze grondstoffen worden onttrokken aan de markt voor de gesubsidieerde toepassingen in elektriciteit productie en voertuig brandstoffen productie.

Onze aanbevelingen zijn - aansluitend bij het bovenstaande - dan ook:Cre&euml;er een gelijk speelveld en een overkoepelende visie op het biomassa speelveld met aandacht voor de concurrentie en mogelijke synergie tussen bio-energie, biobrandstoffen, bioproducts en voedsel.Overweeg om naast vergelijkbaar aan een kWhe biosubsidie een tijdelijke bioproducts  CO2-reductie subsidie in te voeren.Overweeg om naast overheidsdoelen voor bio-energie en biobrandstoffen een doel vast te stellen voor duurzame nieuwe bioproducten.Zorg voor een filter waarmee kansrijke opties en routes sneller kunnen worden geselecteerd en andere sneller kunnen afvallen.Concentreer de inspanningen op routes met een duidelijk onafhankelijk aangetoond milieuvoordeel met een redelijk kostenplaatje.Focus voor subsidieverlening voor R&amp;D ook op toegevoegde waarde wat betreft toxiciteit of dwing dat wettelijk af – bijvoorbeeld biosmeermiddelen in natuurgebieden.Laat de productie van bulkchemicali&euml;n en de teelt van de benodigde gewassen buiten Nederland plaatsvinden en stimuleer op dit veld hooguit de ontwikkeling van conversietechnologie.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Actieplan Fijn Stof]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/actieplan_fijn_stof/451</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/actieplan_fijn_stof/451</guid>
			<description><![CDATA[Ook in Zeeland vormt fijn stof een groeiend probleem voor de luchtkwaliteit. En met het oog op verzwaring van de normen in 2010 zal dit probleem alleen maar knellender worden. De Provincie Zeeland wil dan ook nu al kijken naar de mogelijkheden voor reductie van de emissies van fijn stof. CE is gevraagd ondersteuning te verlenen bij het opstellen van een actieplan waarmee de luchtkwaliteit in de provincie verbeterd kan worden. Dit betekent aan de ene kant dat (technische) maatregelen in kaart worden gebracht met de bijbehorende effecten en aspecten. Aan de andere kant staat het verkennen van draagvlak centraal. Welke partijen voelen zich betrokken bij de problematiek? En wie wil het voortouw nemen bij uitvoering van maatregelen? Deze combinatie van activiteiten zal leiden tot een aantal beleidsopties. Hier zal vervolgens een actieplan uit voortkomen waarvoor draagvlak bestaat onder de betrokkenen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:23:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Het Energie Agri Cluster voor het Transitie Alternatief]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</guid>
			<description><![CDATA[Het Energie Agricluster voor het Transitie Alternatief voor de Zuiderzeelijn is door CE in een aantal weken ontwikkeld als robuust alternatief voor de Zuiderzeelijn. Dit plan is bedoeld als samenhangend cluster dat tegelijkertijd de economische structuur van Noord-Nederland verbetert en daarnaast ook een impuls geeft aan de verduurzaming van de energievoorziening. Het cluster sluit nauw aan bij de nationale Energietransitie, het bestaande Energy Valley en de unieke eigenschappen van Noord-Nederland. Het gaat daarbij vooral om uitgebreide mogelijkheden voor CO2-opslag in ondergrond, de mogelijkheden van de Eemshaven, het bestaande Agricluster en bestaande kennisinfrastructuur. Het plan is additioneel op bestaande plannen en richt zich ook met name op het verminderen van de gevoeligheid voor de aardgasprijs van de Noordelijke economie. 
Het plan bevat een biomassa/kolenvergasser met CO2-opslag, een CO2-distributienet, een tweede generatie ethanolfabriek, een bioraffinage-unit, een Blue energy centrale (energie uit zoet zout overgang) een virtuele micro WKK centrale en een kennisnetwerk. Met eenmalig 550 miljoen overheidsbijdrage en 2 miljard particuliere investering realiseert het plan 5 a 11 Mton CO2-emissiebeperking per jaar en langjarig 2000 of meer arbeidsplaatsen. Economisch bureau Ecorys heeft het Energie Agri cluster positief beoordeeld. Ook expertpanel voor het transitie alternatief en de strategische milieubeoordeling waren positief over dit innovatieve energie en agricluster voor Noord-Nederland.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Afvalverwerking en CO2: Quickscan van de broeikasgasemissies van de afvalverwerkingssector in Nederland 1990-2004]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/afvalverwerking_en_co2%3A_quickscan_van_de_broeikasgasemissies_van_de_afvalverwerkingssector_in_nederland_1990-2004/408</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/afvalverwerking_en_co2%3A_quickscan_van_de_broeikasgasemissies_van_de_afvalverwerkingssector_in_nederland_1990-2004/408</guid>
			<description><![CDATA[De broeikasgasemissies van de afvalverwerking in Nederland zijn in 2004 aanmerkelijk lager dan in 1990.
Waren in 1990 de gesommeerde broeikasgasemissies nog circa 12,7 Mton CO2-equivalenten, in 2004 waren deze gedaald tot 0,8 Mton. Hierin zijn verrekend de vermeden broeikasgasemissies als gevolg van opslag van koolstof in de bodem bij storten en composteren en de energieopwekking bij verbranden in een AVI en benutting van methaan uit stortplaatsen. In 1990 was de bijdrage van de afvalsector van in 1990 gestort afval aan de broeikasgasemissies in Nederland nog ongeveer 6%. In 2004 was dit gedaald tot ongeveer 0,5%.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieuanalyse 4 alternatieve (bio-)brandstoffen voor de Gelderland 13]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieuanalyse_4_alternatieve_%28bio-%29brandstoffen_voor_de_gelderland_13/399</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieuanalyse_4_alternatieve_%28bio-%29brandstoffen_voor_de_gelderland_13/399</guid>
			<description><![CDATA[Electrabel heeft, net als andere Nederlandse elektriciteitsproducenten, in het kolenconvenant met de Nederlandse overheid afgesproken een deel van de kolen die zij gebruikt voor elektriciteitsproductie te vervangen door biomassa.  Deze studie is een vervolg op de studie van augustus 2005. In deze studie, in opdracht van Electrabel, zijn vier  andere  alternatieve brandstoffen  dan in het rapport van augustus 2005  onderzocht op hun milieu voor- en nadelen, te weten:  corncobpellets, rijstresidupellets, palmpitkorrels en eucalyptushoutpellets. 

Conclusies:

Rijstresidupellets en corncobpellets
Uitgangspunt in de analyse is dat in het productieland Thailand in plaats van de rijstkaf/corncobs voor bemesting van het land kunstmest wordt gebruikt. Meestoken van de rijstkaf/corncobs als rijstresidupellets/corncobpellets in de Gelderland 13 is dan gunstig voor zowel broeikasgasemissies als lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Eucalyptushoutpellets
Uitgangspunt is dat het deel van het eucalyptushout dat in Zuid-Afrika ter plaatse niet wordt benut, daar op hopen wordt verbrand. Toepassing in Zuid-Afrika verdient de voorkeur, maar gebeurt niet. Meestoken van het eucalyptushout in de Gelderland 13 is dan gunstig voor zowel broeikasgasemissies als lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Palmpitkorrels
Of meestook van palmpitkorrels in de G13 gunstig is voor het milieu is sterk afhankelijk van de huidige toepassing. Is die huidige toepassing veevoer dan is meestoken waarschijnlijk ongunstig voor het milieu omdat waarschijnlijk het ten koste gaat van natuur zoals oerwoud. Is die toepassing meststof of verbranding dan is meestoken gunstiger voor het milieu. Meestoken in de G13 heeft zonder aanvullende maatregelen (verwijdering extra NOx uit rookgassen) een gering negatief effect op de lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Algemene conclusie
Meestoken in de G13 is milieukundig in het algemeen gunstig voor de lokale luchtkwaliteit rond de G13 en voor het broeikaseffect. Voor palmpitkorrels is beide waarschijnlijk niet het geval. ]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Op weg naar schone lucht]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_schone_lucht/380</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_schone_lucht/380</guid>
			<description><![CDATA[In de Zuidvleugel van de Randstad is de lucht vervuild. De luchtkwaliteit voldoet niet aan de Europese normen voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Verbetering van de luchtkwaliteit staat daarom hoog op de agenda van de rijksoverheid en bestuurders in de Zuidvleugel. In opdracht van de Provincie Zuid-Holland heeft CE een inventarisatie, beoordeling en kostenraming gemaakt van maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Vervolgens heeft CE een voorstel geformuleerd voor een effectief maatregelpakket, dat in beginsel op korte termijn kan worden uitgevoerd. Bij het samenstellen van het maatregelpakket is rekening gehouden met:

    effect op luchtkwaliteit (in termen van concentraties);
    kosteneffectiviteit;
    uitvoerbaarheid (maatschappelijk draagvlak/honing en azijn);
    termijn waarop gestart kan worden met uitvoering.

In het rapport zijn de hoofdlijnen opgenomen van het pakket van maatregelen in de Zuidvleugel en een indicatie van de kosten in de periode 2006-2010.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:19:43 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing in de Nederlandse aardgasketen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</guid>
			<description><![CDATA[De aardgasketen vertegenwoordigt met 37 PJ ongeveer vijf procent van het Nederlandse industri&euml;le energieverbruik. In deze studie is het potentieel voor energiebesparing in deze keten in kaart gebracht. Daarbij is de gehele keten bekeken: van gaswinning uit de reservoirs, gasbehandeling, droging en menging van het gas, transportcompressor- en gasontvangststations, tot aan de gasmeter bij eindgebruikers.Voorwaarde voor de energiebesparing is dat de bedrijven in de aardgasketen met elkaar samenwerken.Aan deze verkenning werkten alle onderdelen van de aardgasketen mee: vertegenwoordigd waren de gasproducenten, verenigd in de brancheorganisatie NOGEPA (Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association), Gasunie en Essent Energie. De studie werd gefaciliteerd door SenterNovem.
De besparingsopties hebben betrekking op de vier factoren die van invloed zijn op het energieverbruik: de gewenste kwaliteit van het gas, de druk van het gas, de fluctuaties in de gasstroom (debiet) en de afstand waarover het gas moet worden getransporteerd. Er zijn drie kansrijke maatregelen geselecteerd: spreiding van de gaskwaliteit, lokaal opwekken van elektriciteit en de druk verlagen op het hoofdtransportleidingennet in de zomer.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Welke nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/370</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/370</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport bekijkt welke nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland gebouwd zou moeten worden, bezien vanuit een investeerdersperspectief en vanuit een overheidsperspectief. Met behulp van het in dit project gebouwde investeringsmodel is onderzocht of deze stelling in verschillende scenario’s inderdaad opgaat. De uitkomsten zijn vervolgens bediscussieerd in een openbare vergadering van de Bezinningsgroep Energiebeleid.

Uitkomst van de berekeningen met het in dit project gemaakte investeringsmodel is dat alleen in het geval van laagblijvende prijzen voor CO2-emissies een kolencentrale zonder CO2-opvang de meest voordelige keuze is voor een investeerder. Bij hogere prijzen voor CO2 en bij beprijzing van andere emissies is een kolencentrale met CO2-afvang de meest rendabele optie. Dat laatste geldt al vanaf een CO2-prijs van circa € 15 per ton.

Vergelijking van het investeerdersperspectief met dat van de overheid laat zien dat er zowel belangrijke verschillen als overeenkomsten zijn, die kunnen leiden tot conflicten maar ook tot samenwerking. In het geval van een nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de discussie zich zal toespitsen op de vraag of een kolencentrale zonder extra voorzieningen gebouwd wordt, of dat de door de overheid opgelegde randvoorwaarden bijstook van biomassa en CO2-opslag rendabel zullen maken. Een verdere, onderbouwde discussie over dit onderwerp is noodzakelijk.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Vrije stroom, vieze stroom, weg stroom?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</guid>
			<description><![CDATA[In de afgelopen jaren is de marktwerking in de energiesector sterk toegenomen. De sector is geliberaliseerd en de spelers bereiden zich voor op privatisering en een verdere internationalisering van de bedrijfsvoering. In opdracht van de Bezinningsgroep Energie (BG) heeft CE de (tussen)balans op gemaakt van de gevolgen voor drie ‘pijlers’ van het energiebeleid:schoon (indicator: CO2 emissies);betrouwbaar (indicator: leveringszekerheid);betaalbaar (indicator: kosten bedrijven / tarieven klanten).Per saldo blijkt sprake te zijn van een verschuiving van lange termijn maatschappelijke belangen naar korte termijn bedrijfseconomische doelen. Daarmee zijn de drie ‘klassieke’ doelen van het energiebeleid - betaalbaar, betrouwbaar en schoon – onder druk komen te staan.

De liberalisering als zodanig heeft – met name voor ‘schoon’ - negatieve gevolgen die slechts ten dele gecompenseerd worden door flankerende maatregelen. Op termijn geldt hetzelfde voor ‘betrouwbaar’ en ‘betaalbaar’. Een structurele bijsturing door – aangescherpt - flankerend beleid is noodzakelijk om de publieke doelen veilig te stellen.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzaamheid van de transitie bio-ethanol]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheid_van_de_transitie_bio-ethanol/340</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheid_van_de_transitie_bio-ethanol/340</guid>
			<description><![CDATA[Op dit moment kan bio-ethanol, een biobrandstof die lijkt op benzine, grootschalig worden geproduceerd uit grondstoffen zoals suiker- of graanproducten. Nedalco BV is echter ook bezig met onderzoek naar processen waarmee ethanol ook uit houtachtige biomassa kan worden geproduceerd. De verwachting is dat met deze nieuwe technologie de kosten van de ethanol flink dalen, terwijl de milieuprestaties toenemen. 

In deze studie heeft CE, in opdracht van Nedalco, de verschillende duurzaamheidsaspecten van de huidige en toekomstige ethanolproductie in kaart gebracht. We hebben daarvoor o.a. berekend in welke mate de uitstoot van broeikasgassen wordt beperkt door de overstap naar houtachtige grondstoffen: is de CO2 reductie bij de huidige grondstoffen ca. 40 – 60%, bij de toekomstige ethanol kan dit oplopen tot 80-90%. Omdat daarnaast ook de kosten naar verwachting dalen, heeft deze ontwikkeling grote (positieve) gevolgen voor de kosteneffectiviteit van ethanol (uitgedrukt in kosten per vermeden ton CO2 uitstoot). Als zowel de kosten als ook de technologie zich ontwikkeld zoals we in deze studie aannemen kan de kosteneffectiviteit op ca. 20 tot 40 €/ton CO2-eq. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Geretourneerd fosforzuur afvalstof of niet?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/geretourneerd_fosforzuur_afvalstof_of_niet/329</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/geretourneerd_fosforzuur_afvalstof_of_niet/329</guid>
			<description><![CDATA[Voor Thermphos heeft CE een studie uitgevoerd aangaande de definitie van afvalstof. Geleverd fosforzuur wordt na gebruik door Thermphos weer teruggenomen. Echter bij dit terugnemen moet het als afvalstof worden beschouwd. De studie die door CE is verricht in opdracht van Thermphos laat zien dat herinzet van dit fosforzuur milieukundig veel beter is dan het daadwerkelijk als afvalstof te beschouwen en het als zodanig te storten. Dit gebruikte fosforzuur is een goede grondstof voor Thermphos. De defini&euml;ring ervan als afvalstof leidt tot onnodige financi&euml;le en administratieve lasten en heeft een negatieve uitstraling.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>
