De prijs van een vliegreis; een onderzoek naar de kosten van en voor de luchtvaart in Nederland

In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft CE Delft onderzoek gedaan naar de kosten voor en van de luchtvaart in Nederland. Specifiek is gekeken naar:

  • de (verwachte) ontwikkeling van luchtvaartbelastingen en –heffingen  in Nederland voor de periode 2015-2024;
  • de vergelijking van de externe kosten, infrastructuurkosten, belastingen en heffingen voor de luchtvaart, de trein, de auto en de bus voor zes voorbeeldreizen;
  • de vergelijking van externe kosten, infrastructuurkosten, belastingen en heffingen en de mate van internalisatie van de externe en infrastructuurkosten voor de luchtvaart (en het spoorvervoer) in Nederland met een aantal andere West-Europese landen.

De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn:

  • De luchtvaartbelastingen en heffingen in Nederland nemen de komende jaren naar verwachting met ca. 40% toe, hetgeen het gevolg is van een verhoging van de luchthavengelden en de invoering van een vliegbelasting (in 2021). Deze stijging in belastingen en heffingen volgt na een daling tussen 2015 en 2017.
  • De bijdrage van het EU ETS en (in de toekomst) CORSIA aan de totale kosten voor luchtvaartmaatschappijen vanuit belastingen en heffingen is beperkt. De lage prijzen voor de emissierechten zijn hiervoor een belangrijke reden.
  • Voor de onderzochte voorbeeldreizen (Amersfoort – Londen, Amersfoort – Parijs, Amersfoort – Barcelona, Amersfoort – Rome, Amersfoort – Los Angeles en Amersfoort – Toronto) vinden we dat de ratio van belastingen/heffingen en externe en infrastructuurkosten voor de intra-Europese vluchten tussen de 40% en 110% liggen en voor de intercontinentale vluchten rond de 20%.
  • Wanneer we het vliegtuig voor deze voorbeeldreizen vergelijken met andere vervoerwijzen, dan zien we dat de ratio’s voor de auto hoger liggen (altijd boven de 100%). Bij de trein is de omvang van deze ratio sterk afhankelijk van het wel of niet meenemen van de vaste infrastructuurkosten. Nemen we die kosten wel mee, dan resulteert dat in een ratio van ca. 20%. Laten we de vaste infrastructuurkosten echter buiten beschouwing, dan worden de kosten van de trein voor alle reizen ruimschoots geïnternaliseerd. De relatief lage belastingen/heffingen voor de bus leiden tenslotte tot lage ratio’s voor het busvervoer.
  • De verhouding in 2016 tussen de externe en infrastructuurkosten van de luchtvaart en de belastingen en heffingen is voor Schiphol lager dan voor Frankfurt en vooral Londen Heathrow. Het feit dat er in 2016 in zowel Duitsland als de UK een vliegbelasting gold (en in Nederland niet), is een belangrijke verklaring voor dit resultaat. Voor Heathrow geldt daarnaast dat de luchthavengelden substantieel hoger liggen dan op Schiphol. 

Projectleider

Arno Schroten

De prijs van een vliegreis

Auteurs CE

Arno Schroten
Lisanne van Wijngaarden

Delft, november 2019